inzichten uit het recente wetenschappelijk onderzoek toegankelijk gemaakt voor een professioneel en geïnteresseerd publiek

I.T.E.R.-Nieuwsbrief Volume 0 (drie proefnnummers), nummer 3, november 2011

Risicofactoren voor seksuele agressie en seksuele dwang




Kris Vanhoeck
Wouter Wanzeele




Inleiding


Jan zoekt adolescente meisjes op, biedt geld aan, praat op ze in en maakt zich desgevallend behoorlijk kwaad tot ze doen wat hij verlangt. Marc duikt overal op en verdwijnt weer. Weten we iets over het risico dat Marc uiteindelijk ook tot fysiek geweld zal overgaan ? Is er een fundamenteel verschil tussen plegers die seksuele dwang ten opzichte van vrouwen gebruiken en zij die seksueel agressief verkrachten ? Deze vraag houdt niet alleen politierechercheurs bezig, maar is ook therapeutisch gezien relevant. Waartoe is iemand in staat ?

Vraagstelling

Deze vraag is als zodanig helaas niet te beantwoorden. We weten niet welke factoren een escalatie van geweldniveau bevorderen. Hiervoor zou onderzoek nodig zijn waarbij plegers jarenlang gevolgd worden om te zien onder welke voorwaarden wie wanneer naar fysiek geweld grijpt. Het is wel mogelijk om deze vraag indirect te benaderen : welke risicofactoren kunnen gevonden worden in de levensgeschiedenis van enerzijds plegers die seksuele dwang uitgeoefend hebben en anderzijds plegers die ook seksuele agressie begaan hebben. Seksuele dwang definiëren we dan als voortdurend inpraten, verbale druk, bedreigingen om bijvoorbeeld de relatie te beëindigen, misbruik van gezag, emotionele manipulatie, negeren van nee-signalen of dronken voeren. Seksuele agressie is een verkrachting met gebruik van geweld of van drugs of door op een andere manier iemand handelingsonbekwaam maken.

De meest gebruikte theorie om een ontwikkeling naar seksuele agressie te  begrijpen is het confluentiemodel van Malamuth. Het beschrijft twee ontwikkelingspaden die beide vanuit een problematische opvoedingssituatie in de jeugd vertrekken (mishandeling, verwaarlozing). Het ene pad loopt voort over gedachten en denkschema’s die getekend zijn door vijandigheid en mannelijke overheersing ; het andere door promiscuïteit (“seksuele losbandigheid”) en het gevoel een gerechtigde aanspraak op seks te hebben (“entitlement”). Malamuth bakent vier domeinen af waarop zich risicoproblemen kunnen voordoen : attitudes (verkrachtingsmythes, vijandigheid t.o.v.
vrouwen) ; gedragskenmerken (gebrekkige omgang met agressie, promiscuïteit) ; persoonlijkheid (empathietekorten, psychopathiekenmerken) ; en een traumaverleden (mishandeling, misbruik, verwaarlozing).

Artikel : DeGue, DiLillo, Scalora (2010). Are all perpetrators alike? Comparing risk factors for sexual coercion and aggression.

DeGue, DiLillo en Scalora zijn vertrokken van Malamuths confluentiemodel om na te gaan welke factoren voorkomen bij alle plegers die seksuele dwang gebruiken, en specifiek bij die plegers die ook seksueel agressief waren. 360 delinquenten uit een Noord-Amerikaanse strafinrichting namen aan het onderzoek deel en werden op basis van zelfrapportage en dossieranalyse in een van drie groepen ingedeeld : seksuele dwang (185 - 51,4%) ; seksuele agressie (71 - 19,7%) ; geen zedenfeiten of controlegroep (104 – 28,9%). In de groep zedenplegers zijn de typische pedofiele plegers ondervertegenwoordigd, omdat zij vaak in gespecialiseerde gevangenissen of hogerisico-instellingen voor terbeschikkinggestelden opgenomen zijn. Zedenplegers die geen direct slachtoffer maken of geen pogingen tot direct contact ondernamen, zijn ook niet vertegenwoordigd. Opvallend is dat van de 71 in de groep seksuele agressie 64 ook toegaven niet-gewelddadige seksuele  dwang te hebben gebruikt. Een “louter-seksuele-agressie”-groep lijkt dus niet te bestaan. Helaas volstaan de data niet om na te gaan of er in de dossiers steeds van een escalatie sprake is, dus eerst dwang gevolgd in een latere fase  door agressie. De onderzoekers vergeleken de drie groepen op twee manieren :  eerst de beide zedenfeitengroepen samen ten opzichte van de derde niet-seksuele delinquenten ; dan de dwanggroep ten opzichte van de agressiegroep.

De hele groep zedenplegers verschilde van de niet-seksuele delinquenten op volgende kenmerken: geloof in verkrachtingsmythes, promiscuïteit en empathietekorten. Verkrachtingsmythes werden gemeten aan de hand van vragenlijsten en betreffen zogenaamde cognitieve distorties of denkfouten als “verkrachting is seks en geen misdrijf”, “slachtoffers lokken het zelf uit”, “misbruik is een gevolg van een ongecontroleerd moment”, “seks is een recht”, “een dronken slachtoffer is medeverantwoordelijk”, …  Promiscuïteit werd gemeten met de volgende vragen: “leeftijd van de eerste "geslachtsgemeenschap” en “aantal consensuele partners vanaf de leeftijd van 14 jaar”.  Empathietekorten gaat over “emotionele betrokkenheid”, waarmee vooral gevoelens van warmte, medeleven en bezorgdheid voor anderen bedoeld zijn. Opvallend is dat deze groep zedenplegers ook hoger scoort op algemene niet-seksuele agressie.

Toegespitst op de twee subgroepen van zedenplegers komen er andere karakteristieken naar voor. Specifiek voor de dwangplegers is dat ze hoog scoren op inlevingsvermogen in fictieve karakters (bv. in boeken of films) en op vaardigheid en bereidheid om te manipuleren (verbale overtuigingskracht en oppervlakkige charme). Beide kenmerken passen bij niet-gewelddadige dwangtechnieken. Het inlevingsvermogen helpt om te anticiperen op reacties van de slachtoffers en om voor de gepaste overtuigingstactieken te kiezen. De manipulatie maakt het mogelijk om niet naar geweld te hoeven grijpen.

Typisch voor de agressieplegers is impulsiviteit zonder aan consequenties te denken en een onverschilligheid ten aanzien van regels en normen. Ze scoorden ook hoger op eigen slachtofferschap in hun jeugd, maar dan vooral op “emotionele mishandeling” (dit is het voortdurend negatief inwerken op de eigenwaarde van de jongere). Dit contrasteert met een ander kenmerk, namelijk een opgeblazen eigendunk. Het lijkt dus of ze vanuit een gekwetste eigenwaarde, overcompenseren door zich het recht op seks toe te eigenen zonder rekening met anderen te hoeven houden. Wat hen daarbij de nodige energie lijkt te leveren ten slotte, zijn intense gevoelens van vijandigheid over woede tot haat die zich vooral op vrouwen richten.

Wat leren we hieruit ?

Dwang- en agressieplegers samen verschillen van een groep niet-seksuele delinquenten : denkfouten, promiscuïteit en tekort aan emotionele betrokkenheid op anderen. Er is sprake van een seksuele preoccupatie, of een zich herhalend patroon van gedrag, interesse en activiteit. Oplossingen worden gezocht in de seksuele sfeer en denkfouten ondersteunen het gedrag. Er bestaan (bijna) geen plegers die enkel geweld gebruiken om seks met hun slachtoffer te kunnen hebben. Ook agressieplegers hebben andere dwangstrategieën toegepast. Het hoeft dan ook niet te verwonderen dat de verschillen tussen de dwanggroep en de agressiegroep niet zo groot zijn. Het
lijkt erop dat de dwanggroep over meer vaardigheden en mogelijkheden beschikt en daarom expliciet geweld niet nodig heeft. Deze plegers kunnen zich beter inleven en kunnen anderen beter manipuleren. Agressieplegers laten zich meer leiden door hun vijandigheidgevoelens en impulsiviteit.

In grote lijnen wordt het confluentiemodel van Malamuth bevestigd door dit onderzoek. De vier probleemdomeinen worden teruggevonden zowel bij dwang- als agressieplegers. Er zijn slechts kleine klemtoonverschillen, bijvoorbeeld meer emotionele mishandeling bij agressieplegers of meer manipulatievaardigheden bij dwangplegers. De vraag vanwaar we vertrokken zijn, blijft dus moeilijk te beantwoorden. Er worden wel kleine verschillen gevonden tussen de twee groepen geweldplegers, maar het is nog niet duidelijk waarom een kleine groep evolueert naar agressiefeiten. Het lijkt erop dat onmacht een grote rol speelt. Dwangplegers hebben immers de ervaring dat ze met hun manipulatieve vaardigheden bereiken waar ze op uit zijn.

Wat zijn de gevolgen voor therapie ?

Mary Koss (2005) evalueerde 20 jaar preventiewerk wat betreft verkrachting en seksueel geweld. Ze komt tot de vaststelling dat veel programma’s hun doel missen en weinig effect opleveren. Uit haar analyse blijkt dat veelal gefocust wordt op geweld. Op basis van dit onderzoek van DeGue, DiLillo en Scalora zou het zinvol zijn om in deze programma’s veel meer aandacht te besteden aan niet-gewelddadige strategieën. Bijna alle onderzochte zedenplegers gebruikten dwangstrategieën en slechts een deel greep daarenboven naar geweld. De vaardigheid om te kunnen manipuleren en dus op een niet-gewelddadige manier dwang uit te oefenen zou wel een cruciaal kenmerk van dwangplegers kunnen zijn.

Feministische theorieën over macht en onmacht zijn daarom ook een  belangrijke inspiratiebron. De kern van deze benadering is dat verkrachting en dreiging met seksueel agressief gedrag een mannelijke strategie is om doelbewust angst aan te jagen en zo dominantie te behouden. Feministische theorieën conceptualiseren seksueel agressief gedrag jegens kinderen op dezelfde wijze als seksuele agressie jegens vrouwen : mannen worden gesocialiseerd om desnoods door middel van seksuele agressie jegens kinderen hun masculiene identiteit en hun maatschappelijke dominantie te handhaven.


DeGue S., D. DiLillo & M. Scalora (2010). Are all perpetrators alike? Comparing risk factors for sexual coercion and aggression. Sexual Abuse, 22(4), 402-426

DeKeseredy, W.S. (2011). Feminist contributions to understanding woman abuse: Myths, controversies, and realities. Aggression and Violent Behavior, 16(4), 297-302

Koss, M.P. (2005). Empirically enhanced reflections on 20 years of rape research. Journal of Interpersonal Violence, 20, 100-107

Malamuth, N. (2003). Criminal and non-criminal sexual aggressors: Integrating psychopathy in a hierarchical-mediational confluence model. In R. A. Prentky, E. Janus, & M. Seto (Eds.), Understanding and Managing Sexually Coercive Behavior. Annals of the New York Academy of Sciences, Vol. 989. (pp. 33-58). New York: New York Academy of Sciences.

I.T.E.R.-Nieuwsbrief Volume 0 (drie proefnnummers), nummer 2, augustus 2011

Vrouwelijke plegers van zedenfeiten
Kim Gykiere
Kris Vanhoeck
Inleiding
Op het Centrum voor Daderhulp I.T.E.R. merken we in de praktijk dat heel weinig vrouwelijke daders aangemeld worden.  In 2010 waren dat er slechts 2.  Nochtans horen we in de verhalen van de mannelijke cliënten geregeld dat iemand in zijn jeugd door een vrouw misbruikt is : moeder, oma, een tante, de lerares fysica, een pianolerares, ...  Vaak is het misbruik vroeger nooit als zodanig benoemd geweest.  Of het werd “met de mantel der liefde bedekt”.  Een informele navraag door Kim Gykiere in 2009 bij al onze collega's in de Vlaamse daderhulpcentra leverde eenzelfde resultaat op :  weinig of geen vrouwelijke cliënten, wel indirecte verwijzingen naar vrouwelijke daders in de cliëntverhalen van mannelijke daders.
Vraagstelling
Internationaal groeit er steeds meer belangstelling voor het onderwerp van vrouwelijke zedenplegers.  Het Britse Journal of Sexual Aggression wijdde er onlangs zelfs een volledig themanummer aan.  Wat kunnen we daaruit leren over vrouwelijke daders ?  Zijn ze anders dan mannelijke zedenplegers ?  En wat zijn risicofactoren ?
We proberen een antwoord op deze vragen te formuleren aan de hand van een artikel van James Vess waarin hij enkele belangrijke onderzoeksbevindingen samenvat.

Artikel :  James Vess (2011), Risk Assessment with female sex offenders: Can women meet the criteria of community protection laws?  
De auteur vertrekt vanuit een historische bespreking van de vakliteratuur.  Tot voor de jaren ’90 ging zowel de samenleving als de professionele hulpverlening er vanuit dat zedenfeiten nauwelijks gepleegd worden door vrouwen.  Geleidelijk aan worden  in de jaren ’90 in de vakliteratuur meer en meer gevallen beschreven van seksueel misbruik door vrouwen en ook de rechtbanken krijgen vaker te maken met vrouwelijke plegers.  Ondanks de toegenomen aandacht verschijnt er in 1999 een artikel dat stelt dat de kennis over deze vrouwelijke delinquenten nog altijd heel beperkt is.  In 2006 verschijnt dan uiteindelijk een  grote overzichtsstudie die de resultaten van 13 verschillende studies bundelt. Het toont aan hoe de studie van vrouwelijke plegers maar langzaam op gang komt.  Er wordt  gezegd dat het onderzoek over vrouwelijk plegers 20 jaar achter ligt op het onderzoek over mannelijke plegers. 
Eén van de redenen dat het wetenschappelijk onderzoek over vrouwelijk plegers achterop hinkt, is dat de rapportage van seksueel misbruik door vrouwen opmerkelijk lager ligt. Auteur Vess ploos de criminaliteitsstatistieken van de Verengde Staten, Canada en Groot-Brittannië uit.  Hij vindt dat tot 8% van alle beklaagden vrouw zijn, maar bij de veroordeelde zedendelinquenten vindt hij maar 4% vrouwen.  Verder vermeldt Vess in zijn artikel dat tussen 1990 en 1996 het aantal geregistreerde zedenfeiten gepleegd door vrouwen verdubbelde in de Verenigde Staten.  Onderzoekster Cortoni voerde in 2009 een groot onderzoek uit naar het aantal vrouwelijke zedenplegers op basis van slachtofferstudies en officieel gerapporteerde zedenzaken.  Ze concludeerde dat 4 tot 5 procent van alle zedenfeiten door vrouwen wordt gepleegd. 
Vess haalt verschillende auteurs aan die vermoeden dat het dark number bij vrouwen erg groot zou kunnen zijn, met andere woorden dat er een grote onderrapportage zou zijn van seksueel misbruik door vrouwen.  Zo wordt bijvoorbeeld vermoed dat een klacht tegen een vrouw moeilijk is, omdat het niet bij het stereotiepe beeld van vrouwen in onze samenleving past.  Verder is het ook zo dat lichamelijke nabijheid en aanrakingen door vrouwen ook meer aanvaard worden en minder snel als ongepast of ongewoon aangevoeld worden.  Voor mannelijke slachtoffers zou een klacht tegen een vrouw extra moeilijk zijn, omdat van mannen verwacht wordt “dat ze altijd zin hebben in seks” en dat misbruik door een vrouw dus quasi onmogelijk is.  Uit een recent onderzoek blijkt dat mannelijke slachtoffers misschien voor een deel gelijk hadden om het misbruik niet te melden.  In de Verenigde Staten alvast worden zaken waarin jongens slachtoffer zijn vaker geseponeerd en indien het tot een vonnis komt, valt de veroordeling ook milder.
Verschillende auteurs hebben typologieën van vrouwelijke plegers voorgesteld.  Het meest komt een indeling in vijf types voor :   het “minnares/lerares”-type ;  het “gedwongen” type (actief mededaderschap naast een mannelijke hoofddader of passief schuldig verzuim) ;  het “voorbestemde” type (generatieproblematiek van seksueel slachtofferschap en daderschap in de familie) ;  het “niet-verwante/babysitter”-type (in de verzorgende sfeer) ; en een vijfde “restgroep” waarin ook meer algemene criminaliteit voorkomt.  In een zeer recent Nederlands onderzoek analyseerden Wijkman en collega’s de criminele carrière van alle bij justitie gekende vrouwelijke zedenpleegsters tussen 1994 en 2005.  Deze onderzoekers concludeerden dat er drie subgroepen van vrouwelijke zedenplegers kunnen onderscheiden worden op basis van hun criminele carrière, namelijk éénmalige daders (één zedenfeit en geen andere misdrijven), generalistische daders (naast zedenfeiten ook andere ernstige misdrijven) en specialistische daders (naast meerdere zedenfeiten enkele kleine andere misdrijven). 
Verder blijkt uit verschillende onderzoeken dat in vergelijking met mannelijke plegers vrouwelijke daders vaker uit kwetsbare, problematische gezinnen komen en vaker het slachtoffer geweest zijn van ernstig seksueel misbruik op zeer jonge leeftijd.  Vrouwelijke plegers hebben vaker een psychiatrisch ziektebeeld en ze hebben vaker een mislukte zelfmoordpoging achter de rug.  Nog steeds in vergelijking met mannelijke plegers hebben vrouwen minder alcoholproblemen en voelen ze zich ook opvallend minder schuldig over hun delict.  Ze kennen hun slachtoffer meestal op voorhand, zijn vaker biologisch verwant en het geslacht van het slachtoffer is minder van belang.  Als algemeen beeld komt naar voor dat vrouwelijke plegers vaker psychiatrisch gestoord zijn en meer slachtoffers maken vanuit hun zorgende functie in de familie.
Een Britse onderzoeksgroep rond Anthony Beech onderzocht de manier waarop vrouwelijke plegers hun eigen feiten verklaren en in hun wereldbeeld inpassen.  Deze onderzoekers concludeerden dat  4 van de 5 verklaringen die vaak bij mannelijke zedendelictplegers voorkomen ook bij vrouwelijke plegers gevonden worden.  Niettemin bleken de vrouwelijke daders toch een iets specifiekere invulling aan de verklaringen te geven. 
Mannen geven geregeld als uitleg voor hun seksueel misbruik dat de wereld een gevaarlijke plek is en ze zich daarom naar gemakkelijke slachtoffers richten (bv. kinderen, “die kunnen me niet afwijzen”).   Vrouwelijke plegers daarentegen zeggen specifieker dat ze mannen gevaarlijk vinden en verantwoorden hun “veilige” keuze vandaaruit.
Mannen geven aan dat ze het gevoel hebben dat ze hun daden niet kunnen controleren (“het was sterker dan mezelf”).  Dit gevoel van oncontroleerbaarheid wordt ook bij vrouwen teruggevonden, maar zij preciseren hier dat hun verslaving, hun trauma of hun afhankelijkheid van een mannelijke co-dader de oorzaak is van alles.
Sommige mannelijke kindermisbruikers praten hun daden goed door te zeggen dat kinderen ook seksuele wezens zijn met seksuele gevoelens en seksuele verlangens.  Vrouwelijke plegers hebben minder zulke algemene opvattingen over kinderen, maar vinden wel dat hun specifieke slachtoffers vroeg rijp waren of uitzonderlijke seksuele interesses toonden.
Andere mannelijke plegers zijn van mening dat bepaalde vormen van seksueel contact met kinderen niet schadelijk zijn.  Bij vrouwelijke plegers vindt men meer precies de idee terug dat seksueel misbruik door vrouwen minder erg of schadelijk is dan door mannen. 
Ten slotte wordt bij mannelijke zedenplegers ook de denkfout gevonden dat seks nu eenmaal een natuurrecht is en dat ze er dus aanspraak op mogen maken om aan hun trekken te komen.  Deze of een vergelijkbare gedachte vonden Beech en collega’s niet terug bij vrouwelijke plegers.  
Uit de grootste recidivestudie tot nog toe (Cortoni, Hanson en Coache in 2010) blijkt dat vrouwelijke zedendelinquenten weinig risico op terugval hebben.  Bij 2490 veroordeelde pleegsters werd na 6,5 jaar opvolgtijd een recidivepercentage van 1, % gevonden.  Bij mannelijke plegers ligt het recidivepercentage rond de 12 à 15%.  De onderzoekers besluiten dan ook dat “vrouwen die door de gerechtelijke autoriteiten gepakt en gestraft worden, weinig risico lopen om nieuwe zedenfeiten te plegen”.  Enige uitzondering zijn de vrouwen die voor pooierschap veroordeeld worden (bijvoorbeeld het prostitueren van de eigen dochter).  
Omdat de gevonden recidivecijfers bij vrouwelijke pleegsters zo laag zijn, is het vooralsnog erg moeilijk iets te zeggen over risicofactoren voor terugval bij vrouwelijke pleegsters.  Vess waarschuwt in zijn artikel ook uitdrukkelijk dat de risicofactoren bij mannen niet zomaar mogen overgenomen worden bij vrouwelijke plegers. 
Wat leren we hieruit ?
Onderzoek leert dat 4 a 5 % van alle zedenfeiten gepleegd worden door vrouwen.  Het lijkt bij vrouwelijke plegers erg belangrijk te zijn dat ze gemeld en gesanctioneerd worden.  De kans op recidive nadien is immers erg klein.  Probleem is dat de bereidheid bij slachtoffers om aangifte te doen niet groot is.  Onderzoekers vermoeden daarom dat het dark number erg groot is.  Hieronder beschrijven we kort nog twee onderzoeken die een aanzet geven om anders met misbruik door vrouwen om te gaan. 
Van der Knaap en collega’s vonden via een internetvragenlijst 456 mensen die van zichzelf toegaven dat ze al huiselijk geweld gebruikt hebben.  Iets meer dan de helft waren vrouwen.  Opvallend is dat het geweld van mannen veel problematischer ingeschat wordt, ook door de mannelijke daders zelf.  Bij mannen is er de vrees dat het geweld uit de hand zou kunnen lopen en tot ernstige schade zou kunnen leiden.  
Maar de onderzoekers vermoeden ook een andere houding ten aanzien van het geweld, namelijk dat het geweld van vrouwen als een “misstap” gezien wordt die vanuit de omstandigheden kan begrepen en vergeven worden, terwijl het geweld van mannen eerder als een misdrijf opgevat wordt dat moet gesanctioneerd worden.  Of iets gelijkaardigs bij de houding ten aanzien van seksueel geweld door mannen en vrouwen een rol speelt, is nog onduidelijk.  
Gakhal en Brown vergeleken de houding van doorsnee burgers, van studenten en van probatie-assistenten ten aanzien van vrouwelijke plegers.  Bij de burgers en studenten vinden ze geen verschil tussen houding ten aanzien van mannelijke en vrouwelijke plegers.  Maar bij probatie-assistenten wel :  zij staan positiever ten aanzien van vrouwelijke zedenpleegsters (bv. soepelere toepassing van probatievoorwaarden, geloof in veranderingsmogelijkheden, …) 
Wat zijn de gevolgen voor therapie ?
De groep vrouwelijke plegers is anders dan de groep van mannelijke zedendelinquenten.     Therapiecentra werken vaak met wetenschappelijke procedures om terugvalrisico in te schatten.  Deze procedures zijn echter uitgewerkt en afgestemd op mannelijke plegers en mogen niet zomaar bij vrouwen gebruikt worden.  Vess beschrijft daarom een algemenere procedure die ook voor vrouwen kan gevolgd worden en waarbij verschillende relevante factoren in kaart moeten gebracht worden :
  1. De ontwikkelingsgeschiedenis, o.a. wat betreft trauma en hechtingsproblemen ;
  2. Problemen op relationeel of familiaal vlak, en met name misbruik- of uitbuitingsrelaties of respectloosheid en onbetrouwbaarheid in relaties ;
  3. Houding ten aanzien van kinderen en kwetsbare mensen, emotionele congruentie, misplaatste gevoelsuitingen, ongepaste seksuele toespelingen of vijandigheid ;
  4. Analyse van de misbruikkenmerken, met aandacht voor criminele gedachten, denkfouten en goedpraters, ontremmingstechnieken, slachtofferempathie, afwijkende seksuele verlangens en opwindingspatronen, aantal slachtoffers en motivatie om te veranderen.
Een correcte en professionele omgang met vrouwelijke plegers is dus belangrijk.  De therapie moet zich naast de delictgeschiedenis ook richten op de specifieke problemen die bij vrouwelijke plegers gevonden worden.  De voorgestelde procedure om risico’s in kaart te brengen, biedt daarvoor heel wat handvaten.
Lezers die meer willen weten over vrouwelijke zedendelictplegers vinden een actuele stand van zaken in het in 2010 verschenen handboek Female Sexual Offenders: Theorie, Assessment and Treatment door Theresa Gannon en Franca Cortoni. 
Vess, J. (2011).  Risk Assessment with female sex offenders: Can women meet the criteria of community protection laws?  Journal of Sexual Aggression, 17(1), 77-91
Cortoni,F., R.K. Hanson & M. Coache (2010).  The Recidivism Rates of Female Sexual Offenders Are Low: A Meta-Analysis.  Sexual Abuse: A journal of Research and Treatment, 22, 387-401.
Gakhal, B.K. & S.J. Brown (2011).  A comparison of the general public’s, forensic professionals’ and students’ attitudes towards female sex offenders.  Journal of Sexual Aggression, 17(1), 105-116.
Goldberg Edelson, M. & D. Joa (2010).  Differences in Legal Outcomes for Male and Female Children Who Have Been Sexually Abused.  Sexual Abuse: A journal of Research and Treatment, 22(4), 427-442
Knaap, L.M. van der, F. el Idrissi & S. Bogaerts (2010).  Daders van huiselijk geweld.  Meppel: Boom Juridische Uitgevers
Wijkman, M., C. Bijleveld & J. Hendriks (2011).  Vrouwelijke zedendelinquenten: specialistische, generalistische en eenmalige daders.  Tijdschrift voor Seksuologie, 35(1), 15-23


I.T.E.R.-Nieuwsbrief Volume 0 (drie proefnummers), nummer 1, mei 2011

Internetplegers en het risico op feitelijk misbruik

Kris Vanhoeck

Inleiding 
Welkom bij deze eerste I.T.E.R.-Nieuwsbrief.  Seksueel misbruik roept vele vragen op.  De samenleving reageert met ongeloof en misprijzen op de vele meldingen en mediaberichten over seksueel misbruik.  Er dreigt een kloof te groeien tussen de publieke verontwaardiging en de moeizame pogingen van gezinnen en individuen om met seksueel misbruik om te gaan, wanneer het zich in de onmiddellijke omgeving voordoet.  De omvang van het probleem en de wijdvertakte gevolgen van misbruik op slachtoffers en families maken dat heel veel mensen er direct mee te maken krijgen.  I.T.E.R pleit er dan ook voor dat seksueel misbruik niet enkel als een strafrechtelijk probleem gezien wordt, maar ook als een probleem van volksgezondheid en maatschappelijk welzijn.  Wetenschappelijke kennis kan ertoe bijdragen om als samenleving en als direct betrokkene beter met dit probleem te leren omgaan.  Daartoe willen we met deze Nieuwsbrief onze kleine steen bijdragen.
Vraagstelling 
Voor dit eerste nummer van de I.T.E.R.-Nieuwsbrief stellen we een vraag die vele betrokkenen bezighoudt : hebben gebruikers van kinderporno ook zelf kindermisbruikfeiten gepleegd of stijgt door het gebruik de waarschijnlijkheid dat ze dat in de toekomst zullen doen ?  Internet kan op twee manieren bij kindermisbruik een rol spelen.  Ten eerste door het bekijken, verspreiden en aanmaken van kinderporno.  Gebruikers van kinderporno zijn voortdurend op zoek naar nieuw materiaal, waardoor steeds opnieuw kinderen moeten misbruikt worden om dit nieuwe materiaal te produceren.  Ten tweede wordt het internet ook gebruikt om met kinderen en jongeren seksueel te chatten en te cammen en via deze weg eventueel met hen ook een afspraak te maken met het oog op seks.  
Artikel van Seto, Hanson en Babchishin (2011)
Het tijdschrift Sexual Abuse wijdt een heel nummer aan internetmisbruik.  Seto, Hanson en Babchiskin onderzoeken in hun artikel de bovenstaande vragen en ze doen dit op twee manieren.  Ten eerste zijn ze nagegaan hoe groot de kans is dat iemand die voor internetfeiten veroordeeld is, vroeger reeds veroordelingen voor feitelijk misbruik opgelopen had.  En ten tweede hebben ze onderzocht hoe waarschijnlijk het is dat iemand die veroordeeld is voor internetfeiten, in de toekomst ook feitelijk misbruik zal plegen.  Met feitelijk misbruik bedoelen we in dit artikel aanranding van de eerbaarheid of verkrachting.  In de wetenschappelijke literatuur worden dit ook “hands-on”-feiten genoemd.  Seto, Hanson en Babchishin gebruikten de statistische techniek van de meta-analyse.  Samengevat komt deze hierop neer dat verschillende gepubliceerde studies statistisch worden samengevoegd om een grotere onderzoeksgroep te bekomen.  Hierdoor kan men een grotere zekerheid resultaten bekomen die op basis van elk van de afzonderlijke onderzoeken niet mogelijk waren.
Voor de eerste vraagstelling vonden de onderzoekers 24 bruikbare studies die ze konden samenvoegen tot één onderzoeksgroep van 4464 personen die voor internetfeiten veroordeeld waren.  12 % (536 personen of 1 op 8) bleken al eerder voor feitelijk misbruik beschuldigd of veroordeeld te zijn.  In 6 van de 24 studies was bovendien aan 523 betrokken personen gevraagd of ze feitelijk misbruikt gepleegd hadden dat eventueel ook niet bekend was bij het gerecht.  55 % of 288 personen antwoordden bevestigend.  De mogelijkheid bestaat dat er bij deze 288 personen een aantal zijn die feiten bekenden, hoewel ze er eigenlijk geen gepleegd hadden.  Maar de kans is veel groter dat er nog een aantal zijn die niets bekenden, hoewel ze toch feiten gepleegd hadden.  55 % kan dus als een conservatieve schatting beschouwd worden.  Toch kan er ook uit besloten worden, dat er een belangrijke groep internetplegers is, die (nog) geen feitelijk misbruik gepleegd heeft. 
Voor de tweede meta-analyse werden 9 gepubliceerde studies gebruikt met een totale groep van 2630 personen die voor internetfeiten veroordeeld waren.  De recidivecijfers waarover in de studies gerapporteerd wordt, werden bekomen 1,5 tot 6 jaar na de veroordeling voor de internetfeiten.  Dat is een korte opvolgingsperiode.  Goede recidivestudies hebben een looptijd van 20 tot 30 jaar, maar zo zijn er helaas nog niet veel.  Hanson, Steffy en Gauthier (1993) publiceerden een van die weinige studies en zij vonden tot eenderde recidivisten voor kindermisbruik na 30 jaar.  Hanson en Mourton-Bourgon (2005) vonden 13 % recidive bij een grote groep kindermisbruikers na 5 tot 6 jaar opvolging.  Seto, Hanson en Babchishin vinden in hun meta-analyse na een vergelijkbare looptijd 4,6 % recidive (2 % voor feitelijk misbruik, 3,4 % voor nieuwe internetfeiten).  Eén studie (Eke & Seto, 2008) vond dat internetmisbruikers met een verleden van feitelijk misbruik, hogere recidivecijfers hadden, en dat ze zelfs meer recidiveerden dan de 13 % van de gemiddelde seksuele delinquent met kindermisbruikfeiten.  
Wat leren we hieruit ?
Wie voor internetmisbruik veroordeeld wordt, is meestal niet bij justitie bekend voor feitelijk misbruik (slechts 1 op 8).  Bij navraag geven echter meer dan de helft van de veroordeelden toe dat ze wel feitelijk misbruik gepleegd hebben.  Dat is een grote groep en we mogen aannemen dat niet iedereen de waarheid verteld heeft.  Toch moeten we er tot nader order van uitgaan dat er ook een groep is die geen feitelijk misbruik pleegt en enkel internetmisdrijven begaat.  
Dit zegt echter nog niets over het toekomstig risico op terugval.  In vergelijking met andere groepen van misbruikplegers wordt relatief weinig recidive bij internetplegers vastgesteld.  Babchishin, Hanson en Hermann (2011) vermoeden zelfs dat het recidiverisico van kinderpornogebruikers die enkel porno bekeken en gedownload hebben, quasi nul zou kunnen zijn.  En dit ondanks het feit dat bij deze gebruikers veel deviante seksuele opwinding vastgesteld wordt, zodat Seto, Cantor en Blanchard (2006) zelfs besluiten dat er meer pedofiele opwinding bij deze gebruikers te vinden is dan bij de doorsnee pleger van effectief kindermisbruik.  
Pedofiele opwinding in psychiatrische zin (aantrekking, fantasieën en aandrang) wil dus niet per se zeggen dat iemand ook effectief kinderen zal misbruiken.  Dat neemt natuurlijk niet weg dat downloaden van kinderpornografie ook een ernstig misdrijf is.  De gevolgen voor de slachtoffers zijn zeer ernstig (Leonard, 2010).  Daarenboven blijft de twijfel hoe de internetplegers verder zouden geëvolueerd zijn, indien ze niet gepakt waren.
Wat zijn gevolgen voor therapie ?
Risicotaxatie is het op een wetenschappelijk verantwoorde wijze in kaart brengen van risicofactoren die de waarschijnlijkheid bepalen dat iemand kan hervallen.  Voor de hele groep van alle zedenplegers zijn drie groepen van risicofactoren van belang gebleken : deviante seksuele opwinding (bv. pedofiele gevoelens, seksueel sadisme, ...) ; antisociale opstelling (bv. psychopathie, gedachten en houdingen die misbruik goedpraten, ...) ; en intimiteitsproblemen (bv. emotionele identificatie met kinderen, eenzaamheid, ...)  Seto, Hanson en Babchishin (2011) bespreken een aantal studies waaruit blijkt dat deze zelfde factoren bij internetplegers een rol spelen : criminele voorgeschiedenis (antisociaal), verslavingsproblemen (vaak gelinkt aan intimiteitsproblemen) en zelfgerapporteerde seksuele aantrekking tot kinderen en jongeren (deviante seksuele opwinding) blijken voorspellers van recidivegevaar te zijn.  Hoewel de recidivepercentages bij internetplegers lager lijken te zijn dan bij effectieve misbruikplegers, moet dit nog door onderzoek dat over een langere opvolgperiode loopt, bevestigd worden.
Internetplegers zijn geen homogene groep.  Dat geldt bij uitbreiding voor alle zedenplegers.  Zorgvuldig in kaart brengen van individuele risicofactoren is belangrijk en therapie moet daarop afgesteld worden.  Toch komen over het algemeen de risicofactoren overeen met de risicosoorten die ook bij andere plegers gevonden worden.  Internetplegers komen dus zeker in aanmerking om in centra voor daderhulp gevolgd te worden.
Seto, M.C., R.K. Hanson & K.M. Babchishin (2011).  Contact sexual offending by men with online sexual offenses.  Sexual Abuse. 23(1),124-45.


Babchishin, K.M., R.K. Hanson & C.A. Hermann (2011). The characteristics of online sexual offenders: A meta-analysis. Sexual Abuse, 23(1), 92-123
Eke, A.W. & M.C. Seto (2008). Examining the criminal history and recidivism of registered child pornography offenders. Paper presented at the Association for the Treatment of Sexual Offenders Convention, Atlanta, Georgia (geciteerd in Seto, M.C., R.K. Hanson & K.M. Babchishin, 2011).
Hanson, R. K. & K. E Morton-Bourgon (2005).  The characteristics of persistent sexual offenders: A meta-analysis of recidivism studies, Journal of Consulting and Clinical Psychology, 73, 1154-1163.
Hanson, R. K., R.A. Steffy & R. Gauthier (1993).  Long-term recidivism of child molesters.  Journal of Consulting and Clinical Psychology, 61, 646-652
Leonard, M.M. (2010). “I did what I was directed to do but he didn't touch me”: The impact of being a victim of internet offending.  Journal of Sexual Aggression, 16(2), 249 - 256
Seto, M.C., J.M. Cantor & R. Blanchard (2006). Child pornography offenses are a valid diagnostic indicator of pedophilia. Journal of Abnormal Psychology, 115, 610–615